1. Wordt besloten tot strafvermindering, dan kan als richtlijn gelden:
    1. een vermindering van maximaal de helft van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf, taakstraf of geldboete; of
    2. het omzetten van maximaal de helft van het onvoorwaardelijke deel van een vrijheidsstraf, taakstraf of geldboete in een voorwaardelijk deel; of
    3. het vervangen van maximaal een derde van een vrijheidsstraf door een taakstraf of een onvoorwaardelijke geldboete.
  2. Strafverminderingsgronden worden bepaald in overleg tussen overheid en verdachte, met bijstand van een advocaat. Daarbij tellen mee:
    1. goed gedrag en medewerking van de verdachte tijdens en na de aanhouding;
    2. verzachtende omstandigheden;
    3. overmacht door problemen in de stad (bijvoorbeeld een storm);
    4. proportionaliteit;
    5. het aandeel van de verdachte, als er sprake is van een grootschalig feit met meerdere partijen.